In een imposante gang van de Tweede Kamer stond ik te wachten tussen mijn collega-journalisten en fotografen. Alles voelde vertrouwd: de spanning, het gefluister, de camera’s die al half gereed in de hand lagen. We kenden dit ritueel. De deuren zouden opengaan, de hoofdrolspelers zouden verschijnen, en wij zouden doen waarvoor we daar waren: kijken, registreren, vastleggen. Deze ervaring zou later uitgroeien tot een waardevolle herinnering: Mijn ontmoeting met Kofi Annan.
Maar die ochtend liep het anders.
De setting: macht, marmer en verwachting
De gangen van de Tweede Kamer zijn niet neutraal. Ze zijn ontworpen om indruk te maken. De hoogte, het marmer, het licht dat weerkaatst op gepolijste vloeren. Alles lijkt te willen zeggen: hier worden beslissingen genomen die groter zijn dan jij.
Wij, fotografen, filmmakers en journalisten, vormden een kleine stam van geduldige toezichthouders op de macht. En wachten is onderdeel van het vak. Die ochtend wachtten we op het moment dat de deuren open zouden gaan en de zorgvuldig geregisseerde wereld van politieke beeldvorming zich opnieuw zou ontvouwen. Soundbites. Handdrukken. Flitslicht. Het voorspelbare theater van de actualiteit.
Het was een bekend decor, en mijn rol daarin was helder: anticiperen, kijken, het beslissende moment herkennen.
Totdat een hand op mijn schouder alles veranderde.
De onverwachte wending
Het gebaar van de beveiliger was kort en efficiënt. We werden gemaand ons te verplaatsen. Ik zette een stap vooruit, zoals iedereen. Toen voelde ik het: een lichte maar besliste hand op mijn schouder.
Ik draaide me om. “Meneer Van Marle. Deze kant op, alstublieft.”
Geen uitleg. Alleen een uitnodiging, verpakt in stille autoriteit. De wereld om mij heen vervaagde terwijl ik hem door een andere deur volgde. Een kleine kamer. Stilte. Een moment waarin de tijd leek te pauzeren.
En daar stond hij. Kofi Annan. Alleen hij en ik.
De ontmoeting
Er was een kort, bijna absurd moment waarin ik dacht hoe vreemd het was dat hij precies leek zoals je je hem voorstelt: charismatisch imposant. Maar er was niets theatraals aan zijn aanwezigheid. Het voelde eerder als zwaartekracht, subtiel, onontkoombaar, je zachtjes naar het middelpunt trekkend van iets dat groter was dan jezelf.
“Ik begrijp dat u werkt aan een mensenrechten project,” zei hij. Zijn stem was laag en rustig, elk woord zorgvuldig gewogen. “Laten we spreken.”
Hij gebaarde naar een stoel. In plaats van een geënsceneerd portret of een geregisseerd moment kreeg ik iets onverwachts: een gesprek zonder tussenpersoon.Wat me het meest trof, was de oprechtheid van zijn vragen. Hij wilde niet alleen weten wat ik deed, maar waarom. Wat mij dreef. Wat mij bewoog om te fotograferen.
Ik vertelde over mijn zoektocht naar waardigheid, eerlijkheid en veerkracht in beeld. Over fotografie als een voortdurende leerschool. Hij luisterde met volledige aandacht, zonder haast, zonder afleiding.
“Onderwijs,” zei hij, “is niet slechts het verwerven van kennis. Het is leren de wereld te zien door de ogen van een ander. Dat doet u met uw werk. U geeft anderen de kans om werkelijk te zien.”
Die woorden bleven hangen.
De paradox van de fotograaf
Terwijl we spraken, dacht ik aan de vreemde paradox van mijn vak. Fotografen zijn geobsedeerd door kaders. Door het ordenen van de werkelijkheid binnen nette, rechthoekige grenzen. We geloven dat het vastleggen van een moment de betekenis ervan bevestigt.
Dat we alleen door de lens werkelijk kunnen zien.
Maar in die stille kamer begon dat idee te kantelen. Geen enkele camera had recht kunnen doen aan wat zich daar afspeelde. Sommige momenten vragen niet om registratie. Ze vragen om aanwezigheid.
Sommige beelden hebben geen kader nodig.
Ze leven in herinnering. In woorden. In gedeeld begrip.
De enige foto
Ongeveer dertig minuten later stonden we op. “Laten we elkaar spoedig weer ontmoeten,” zei hij.
Pas toen maakte ik één foto. Slechts één.
Wat deze ontmoeting mij leerde
Toen ik terugliep door de gangen, die inmiddels onwerkelijk stil waren, voelde ik een onverwachte rust. Zijn woorden bleven in mijn gedachten. Zo’n ‘vastgevroren’ tv beeld dat blijft bestaan lang nadat je je ogen hebt gesloten.
Misschien begreep ik toen voor het eerst echt dat sommige momenten te groot zijn om door een lens te worden begrensd. Dat sommige waarheden bedoeld zijn om te worden gevoeld, niet vastgelegd.
In zulke momenten zijn we geen toeschouwers meer. We worden deelnemers.
Een beeld zonder kader.
Bewaard niet in licht, maar in het leven.
Dank u, meneer Annan
Den Haag, december 2008.
*Zevende secretaris-generaal van de Verenigde Naties (1997-2006) en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede (2001).