Waarom willen we zo graag gezien worden?

In het kort:

  • We kennen ons eigen gezicht nooit rechtstreeks, alleen via spiegels, foto’s en de blik van anderen.
  • Volgens Hegel wordt ons zelfbeeld altijd bepaald door hoe anderen ons zien, waardoor elk portret een element van onzekerheid bevat.
  • Een goed portret ontstaat in de smalle strook tussen wie je bent en hoe je gezien wilt worden.

Ben ik dat?

Onlangs zat ik zelf voor de camera. Speels en wat achteloos was ik binnengewandeld bij het atelier van Jeronimus van Pelt voor ‘een nieuwe kop’. Na het zien van vijftien versies van mijn eigen gezicht zweeg ik drie tellen. Mijn blik schoot heen en weer tussen de beelden en iets onzichtbaars daarachter. En toen stelde ik de vraag die mijn klanten míj altijd stellen, in duizend varianten: ben ik dat?

1200px width Waarom willen we zo graag gezien worden

Van binnenuit ben je geen gezicht, maar een plek van waaruit gekeken wordt

Ik fotografeer en film al jaren mensen, en ik heb het eigenlijk altijd mis. Het is de kern van mijn vak. Op het moment dat ik afdruk, leg ik iets vast wat diegene niet is. Of beter: wat diegene niet wil zijn. Vroeger dacht ik dat het aan mij lag. Verkeerd licht, verkeerd moment, verkeerde lens. Of nog erger: verkeerde benadering. Inmiddels vermoed ik dat het dieper zit. Niemand weet hoe hij eruitziet. Je hebt geen rechtstreekse blik op jezelf; je kent jezelf alleen via spiegels, foto’s en de ogen van anderen. Alles wat je over je eigen gezicht weet, is tweedehands. En van binnenuit ben je niet eens een gezicht. Van binnenuit ben je een plek van waaruit gekeken wordt.

Vanaf de eerste schoolfoto dragen we een cameragezicht

Kleine kinderen hebben daar nog geen last van. Een kind van vier kijkt in de lens zoals het uit het raam kijkt: nieuwsgierig, onbekommerd, zonder iets te schikken. Ergens tussen dat vierde jaar en de eerste schoolfoto leren we dat gezien worden een risico is. Vanaf dan dragen we een ‘cameragezicht’, en is het de vraag wie er nog doorheen mag kijken. Het mijne mocht ik aanwijzen. Ik ben er nog niet helemaal uit.

Ik heb ook de omgekeerde klant vaak in het atelier: iemand die achter elke lach een oordeel vermoedt, die verstijft zodra de camera tevoorschijn komt, alsof de lens een rechter is. Thomas Hobbes, beroepszwartkijker uit de zeventiende eeuw, was er zo een. Lachen noemde hij een plotselinge opwelling van trots, die vooral voorkomt bij mensen die beseffen dat ze weinig kunnen; te veel lachen vond hij een teken van kleingeestigheid. Ik heb veel lachende mensen voor mijn camera gehad en ik herken er niets in, maar ik herken wel de man die het schreef. Hobbes groeide op in een arm milieu waar niemand oog had voor wat er in hem omging. Wie zo over lachen schrijft, is ooit uitgelachen. Dat soort dingen fotografeer je niet weg.

We poseren nooit voor de fotograaf, maar voor iedereen die ooit keek

Waarom snijdt miskenning zo diep? Hegel, notoir complexe denker, legt het ons uit: ons zelfbeeld wordt altijd bepaald door hoe anderen ons zien. Je kunt niet direct naar jezelf kijken, dus je moet jezelf bekijken via de ander. In elk zelfbeeld zit daardoor een element van onzekerheid en afhankelijkheid. Toen ik dat las, begreep ik eindelijk wat er telkens in mijn atelier gebeurt en wat er die middag bij Jeronimus met mij gebeurde. De mensen die voor mij zitten, poseren niet voor mij. En ik poseerde niet voor hem. We poseren voor iedereen die de foto ooit zal zien: de ouders die vroeger niet keken, de klas die te hard lachte toen je het antwoord op die ene vraag niet wist, de geliefde die nog moet komen. De fotograaf is alleen maar de tussenpersoon van al die blikken, en daarom kan hij het nooit goed doen. Het portret dat we zoeken bestaat niet. Het is de som van alle erkenning die we ooit hebben gemist, plus alles wat we nog hopen te krijgen.

Een smalle strook licht

Diezelfde afhankelijkheid is de achilleshiel van onze eigenwaarde. Daarom kunnen we likes niet weerstaan en halen we de schouders niet op over kleingeestige oordelen. Hooguit blazen we onszelf een beetje op, vanuit een gunstige hoek: kaak iets naar voren, kin omhoog, schaduwen zachter, licht wat ronder. We willen de camera overtuigen. En ook een beetje de wereld daarachter. Ik betrapte mezelf erop, daar op die kruk: kin al omhoog voordat ik het besloten had. Omdat ik ook wel weet ‘hoe het werkt’.

Misschien is dat waarom ik dit werk blijf doen, ondanks al mijn missers. Juist omdat ik het altijd mis heb. Tussen wie iemand is en hoe iemand gezien wil worden zit een smalle strook licht, en heel soms valt een portret daar precies tussen – een waarmee je gezien wilt worden. Voorlopig dan. Uit de vijftien frames selecteerden we er één. Een gezicht waarnaar je kijkt zoals je naar een vreemde kijkt die je bevalt. Ik weet nu wat mijn klanten al die jaren zochten, want ik heb het zelf gezocht. Jeronimus kon zijn camera vredig opbergen.

Wie weet is dat het meeste wat we voor elkaar kunnen doen: niet elkaar zien zoals we zijn, maar elkaar laten merken dat er gekeken wordt, met aandacht, zonder oordeel. De rest maakt het gezicht zelf wel af.

Geschreven door Ilya van Marle, narratief fotograaf & filmmaker. Den Haag, 30 juli 2026.

Over de auteur

Foto van Ilya van Marle
Ilya van Marle

Ilya van Marle is narratief fotograaf vanuit Den Haag. Hij maakt beelden voor organisaties die begrijpen dat een echt verhaal onlosmakelijk verbonden is met menselijke waardigheid en bestuurlijke integriteit. Ilya is lid en contributing editor van de Royal Photographic Society Londen en publiceert over fotografie, film en beeldvorming.

Deel dit blog

error: Content is beveiligd.